 |
Het thema | Trust and Media
Vertrouwen is cruciaal. Psychologisch kunnen we ons enkel concentreren op wat ons
ter harte gaat, omdat we ons geen zorgen hoeven te maken over wat er allemaal fout
kan lopen. Stel dat we er bijvoorbeeld niet van kunnen uitgaan dat onze kinderen op
school veilig zijn, beschermd tegen fysiek of psychisch geweld. Stel dat we er niet
meer zeker van kunnen zijn dat het geld dat we op een spaarrekening hebben
gedeponeerd, niet zal verloren gaan. Stel dat mensen in het verkeer soms links gaan
rijden of dat het brood dat we eten bedorven kan zijn... Er zijn duizenden diensten
waarvan we dagelijks gebruik maken die onbetrouwbaar kunnen zijn en er zijn
evenzoveel grenzen en verwachtingen die kunnen worden geschonden. Wie geen
vertrouwen meer stelt in wat andere mensen doen, kent geen rust.
Vandaag lijkt het maatschappelijk vertrouwen af te nemen. Dat is in elk geval de reden
waarom bedrijven en openbare instellingen de regelgeving en de kwaliteitscontroles
opdrijven. In de economische sfeer ervaart men dat de transactiekosten toenemen
omdat het vertrouwen afneemt. Er moet immers meer worden geïnvesteerd in
verzekeringen, controlemechanismen, contractuele bepalingen en gerechtskosten,
waardoor handel nodeloos technisch, ingewikkeld en duur wordt. Ook de overheid
voelt zich genoodzaakt om de betrouwbaarheid van goederen en diensten beter te
verzekeren door meer wetten en procedures te implementeren. Op elk ongeval en elk
vergrijp wordt met bijkomende regels en controlesystemen gereageerd. Meer codes en
juridische afspraken creëren echter niet noodzakelijk meer zekerheid. Regels op
zich creeren immers geen vertrouwen. Regels werken zelfs vaak contraproductief.
Hoe meer vertrouwen we stellen in regels, hoe minder vertrouwen we lijken te stellen
in mensen. Dat wantrouwen wordt vaak versterkt door de overtuiging dat mensen
enkel geïnteresseerd zijn in het maximaliseren van hun eigenbelang en dat men hen
alleen kan motiveren om betrouwbaar werk af te leveren als men hen daar op basis
van incentives toe aanzet. Die opvatting is funest, omdat ze functioneert als een
zichzelf vervullende profetie. Vertrouwen berust immers grotendeels op de overtuiging
dat mensen het goed uitvoeren van taken op zich belangrijk vinden. Op het ogenblik
dat grenzen en verwachtingen enkel om zuiver instrumentele redenen worden
gerespecteerd zal het intrinsiek vertrouwen afnemen. Voor betrouwbare professionele
werknemers en zelfstandigen geldt immers dat ze het correct uitvoeren van hun job als
een erezaak beschouwen. Half werk zien ze als een schending van hun persoonlijke
integriteit. Het correct uitoefenen van een opdracht geldt voor hen als een doel op zich
en het is dit soort plichtsbesef dat mensen maakt tot betrouwbare vakmensen.
Zoals andere instellingen beantwoorden media aan verwachtingen die, wanneer ze
worden beschaamd, wantrouwen creëren. Media gelden echter ook als het zenuw stelsel
van een gemeenschap, in die zin dat ze elk incident, elke inbreuk, elke ramp die het gangbare maatschappelijke vertrouwen schendt, signaleren. Feiten hebben doorgaans
nieuwswaarde omdat ze betrekking hebben op iets dat de gangbare grenzen en ver -
wachtingen doorbreekt, waardoor het emotionele reacties oproept.
Groepsdynamisch
kan die emotionele reactie begrepen worden als de nodige energie die wordt vrijgemaakt
om de oorzaak van de vertrouwensbreuk op te sporen en in te dijken. Mensen
vertrouwen er bijvoorbeeld op dat de rechtspraak en de politiek niet gecorrumpeerd zijn,
dat het voedsel veilig is, dat de staat niet zal failliet gaan. Als er redenen zijn om daaraan
te twijfelen, dan zijn het journalisten die dat publiek maken, waardoor, onder druk van
de publieke opinie, initiatieven kunnen worden genomen om het vertrouwen opnieuw
te herstellen. Om zich te kunnen realiseren of wat er zich op politiek, cultureel of sociaal
vlak afspeelt te vertrouwen is, zijn mensen afhankelijk van de informatie die hen via media
wordt geboden. Soms zijn er gebeurtenissen waar mensen onmiddellijk op betrokken
zijn, maar het merendeel van onze maatschappelijk overtuigingen berust op feiten
waarover we via radio, televisie, websites of kranten hebben vernomen. Mensen nemen
aan dat de feiten waarop ze emotioneel reageren betrouwbaar zijn. Ze nemen ook aan
dat wat via media in beeld komt, zaken zijn waar men zich als gemeenschap in functie
van het algemeen belang effectief zorgen om moet maken. Media kunnen zoals een
zenuwstelsel op sommige symptomen erg prikkelbaar reageren terwijl ze aan andere
voorbijgaan. Ze kunnen met andere woorden op sommige punten wantrouwen
cultiveren terwijl ze het maatschappelijk vertrouwen op andere punten onterecht niet
bekritiseren. De maatschappelijke functie van media in het algemeen en journalistiek in
het bijzonder is op dit punt niet te onderschatten. Ongetwijfeld is de werkdruk binnen
de journalistiek ontzettend hoog en ontbreekt het aan tijd en middelen om iets rustig uit
te zoeken, maar dat betekent niet dat datgene waartoe journalistieke vakmanschap
verplicht vandaag vaag is geworden. Media in het algemeen en de journalistiek in het
bijzonder zijn minstens partieel verantwoordelijk voor het soort vertrouwen dat zich in een
samenleving ontwikkelt. De kwaliteit van dat vertrouwen hangt samen met de
betrouwbaarheid van de berichtgeving. Als er aan die betrouwbaarheid iets schort dan
ontstaan er niet alleen problemen met het maat schap pelijk vertrouwen in journalistiek in
het bijzonder, maar ook met het maatschappelijk vertrouwen in het algemeen. Komen de
actuele media tegemoet aan hun maatschappelijke functie?
|
 |
|