|
Op 27 april sloot het Departement Toegepaste Psychologie het rijtje van departementale alumniavonden. Laureate van de Prijs Maria Barones Verstraeten voor de beste eindverhandeling werd Katrien Daelman.
Katrien Daelman viel in de prijzen voor haar eindverhandeling ‘Mild Cognitive Impairment: een voorstadium van de ziekte van Alzheimer of een op zichzelfstaand syndroom?’.
‘De vraag die ik me in mijn scriptie gesteld heb is of Mild Cognitive Impairment (MCI) een beginstadium van dementie is, of eerder als een apart syndroom met eigen specifieke kenmerken beschouwd kan worden’, verduidelijkte Katrien Daelman, die haar eindwerk maakte onder begeleiding van promotor Els Verwerft. ‘Via een literatuurstudie heb ik geprobeerd om hierop een antwoord te vinden. In eerste instantie werd MCI als geheugenprobleem en als mogelijk voorstadium van dementie gezien. In later onderzoek werd ontdekt dat de aandoening een veel breder gebied dan alleen maar het geheugen omvat.
Momenteel verwijst MCI in het algemeen naar niet-demente personen met cognitieve defecten die objectief meetbaar zijn door tests. De term wordt gebruikt om personen te classificeren die niet beantwoorden aan de dementiecriteria, maar in sommige gevallen wel een verhoogd risico op de ontwikkeling van dementie hebben. Men kan dus stellen dat MCI niet enkel gezien mag worden als een voorstadium van dementie.
Bachelors in de toegepaste psychologie leveren een belangrijke bijdrage aan de diagnose van MCI. Zij nemen een reeks neuropyschologische tests af waarin er gepeild wordt naar de algemene toestand van de patiënt. Nadien worden de specifieke functiedomeinen van de hersenen onderzocht, meer bepaald het geheugen, de aandacht en concentratie, visuospatiële vaardigheden, executieve functies en de taal. Aan de hand van de individuele testresultaten wordt nadien bepaald hoe sterk de patiënt afwijkt van het gemiddelde in een normale vergelijkingsgroep, die gedifferentieerd is naar leeftijd, geslacht en opleiding.’ Aangezien het huidig wetenschappelijk Alzheimeronderzoek zich meer en meer richt op de beginfase van deze aandoening, winnen ook het concept MCI en een betere kennis ervan aan belang.
Nieuws uit het Departement
In totaal 150 laatstejaarsstudenten behaalden in 2006 het diploma van bachelor in de Toegepaste Psychologie. Naast hun diploma ontvingen ze ook een exemplaar van het boek ‘Mag ik even jouw hippocampus zien?’ van Griet Van Vaerenbergh en Gert De Kinder. De alumni kregen van departementshoofd Hugo Schouppe het laatste nieuws uit het Departement te horen. Zo namen ze onder meer kennis van de leerinhouden in Bachelor 1, 2 en 3 en van de verschuiving van de stageperiodes in Bachelor 2 en Bachelor 3.
‘Vlaanderen is niet groot genoeg om 350 stageplaatsen tegelijk te kunnen programmeren’, vertelde Hugo Schouppe. Hij verwees ook naar het nieuwe Postgraduaat Psychopedagogische Counseling en naar het Nederlands-Vlaams Overleg Toegepaste Psychologie onder voorzitterschap van de Lessius Hogeschool.
‘Met ingang van het volgend academiejaar starten we aan de Lessius Hogeschool met een Engelstalig programma van 30 studiepunten voor buitenlandse én eigen studenten. Het zal bestaan uit specialisatievakken zoals intercultural counseling, sport psychology, HRM, group dynamics, International Study Conference & Solution Focused Therapy.’
Lezing
Hoofdspreker van de avond was prof. dr. Peter Adriaenssens, Kliniekhoofd Kinderpsychiatrie, UZ K.U.Leuven. Hij hield een ronduit schitterende voordracht over 'Praten met tieners: van ruzie naar discussie, van conflict naar onderhandeling'.
Professor Adriaenssens stond onder meer stil bij de vaststelling dat er in gezinsverband op weekbasis aanzienlijk minder uren gepraat worden dan 20 jaar geleden. ‘Onze huizen worden vandaag ook zodanig gebouwd dat we gewoon de kans niet meer hebben om met elkaar te praten, ook in de wagen wordt er steeds minder gebabbeld met elkaar. Mondelinge communicatie moet steeds meer bewust op gang gebracht worden.
Ouders gebruiken teveel agressief taalgebruik, verbaal geweld sluit de communicatie tussen ouders en kind uit. De ouders zelf moeten door een democratische attitude hun kinderen sociale en emotionele vaardigheden bijbrengen’, vertelde professor Adriaenssens, die zijn voordracht op heel gevatte wijze illustreerde met tal van aanschouwelijke voorbeelden uit de praktijk.
‘Ook de media spelen een negatieve rol. Onderzoek heeft uitgewezen dat in Amerikaanse televisieprogramma’s om de acht minuten iemand belachelijk gemaakt wordt op basis van persoonlijke kenmerken. Kinderen nemen dat over. Misschien is er ook wel te veel geïnvesteerd in psychopathologie en moeten we meer leven leven met verschillen, meer het goede in het kwetsbare leren ontdekken.’
Er is, om het gedrag van de tieners te verklaren, lange tijd gedacht dat de hormonen de belangrijkste oorzaak waren. Maar volgens professor Adriaenssens heeft onderzoek uitgewezen dat het eerder de hersenen zijn. ‘De ontwikkeling van de hersenen loopt niet parallel met het schema van een schoolcarrière. De prefontale cortex, het hersengebied dat instaat voor het nemen van beslissingen, komt pas tegen het einde van het zesde jaar secundair onderwijs tot volledige ontwikkeling. Tieners gebruiken bij het lezen van emoties minder de prefontale regio dan volwassenen. De impulsieve hersenen van tieners werken beter dan hun verstandige hersenen, stresssituaties verhevigen dan ook nog eens impulsieve zones.’
Professor Adriaenssens pleitte er ook voor om discussie niet langer als problematisch of negatief te percipiëren. ‘In tegenstelling tot in Nederland wordt in Vlaanderen respect teveel gebruik om over een aantal gevoelige onderwerpen niet te praten.’
Professor Adriaenssens had ook woorden van lof voor de opleiding Toegepaste Psychologie van de Lessius Hogeschool en stelde aangenaam verrast te zijn dat de opleiding al forensische kinder- en jeugdpsychiatrie in zijn onderwijsprogramma opgenomen heeft.
Jacky Stijven
|